FLEVOLANDER Nr 73 Februari 2008
Nieuwsbrief Nederlandse Flevolander Schapenhoudersvereniging
De Flevolander verschijnt helaas te laat. Najaar 2007 was de geplande datum. Persoonlijke omstandigheden van de redacteur en enkele mislukte afspraken hebben tot deze vertraging geleid. In dit nummer alleen een bedrijfsverslag.
Bedrijfsverslag familie Vernooy in Wittelte
Betuwenaren die zich vestigen op het Drentse platteland. Kan dat wel goed gaan? In de Betuwe is men honkvast, wat gesloten en niet direct van het ondernemende type. En in Drente komt men er niet zo gemakkelijk in. Men kijkt de kat uit de boom. Maar Cees en José Vernooy voelen dat heel anders Geen beter land dan het Drentse land. Ze voelen zich er met hun vier kinderen helemaal op hun plaats. Ze worden er geaccepteerd. Burenhulp is er nog normaal. Ze wonen er inmiddels 11 jaar. We willen er volgens José, nooit meer weg..
Hoe is dat zo gekomen?
Ze woonden in Maurik een Betuws dorpje aan de Rijn ongeveer 10 km ten
Noorden van Tiel. Het veeteeltbedrijf was aanvankelijk nog groot genoeg om hem en
zijn broer een gezinsinkomen te bieden. Maar de ontwikkelingen gingen snel.
Als gevolg van het beëindigen van de maatschap tussen Cees, zijn broer en
zijn vader moest er uitgekeken worden naar een ander bedrijf. Heel Nederland
werd het zoekterrein. Brabant, het rivierengebied Friesland en de
Achterhoek.Niet alleen rundvee maar ook varkens waren een optie.
Uiteindelijk is het Drente geworden, in Wittelte enkele kilometers onder Diever. Daar vonden ze het rundveebedrijf dat ze zochten. Goed verkaveld, bijna 40 ha met moderne bedrijfsgebouwen en een mooi woonhuis. Maar ook nu weer halen nieuwe ontwikkelingen hen in. Cees werd geconfronteerd met problemen met zijn knieën. Met name het in- en uitgaan van de melkstal viel hem steeds moeilijker. Daarnaast diende zich een wenselijke groei van het bedrijf in de toekomst aan Er was weliswaar een melkquotum van bijna vier ton, maar voor de toekomst is dit onvoldoende. Tenzij een forse investering gedaan zou worden in land, uitbreiding van de stal en wellicht een melkrobot.
Ze gingen op zoek naar een alternatief. De schapen kwamen toen in zicht, temeer daar ze al ervaring met schapen hadden. Maar slechts als neventak. Veertig schapen is wel wat anders dan een volledig schapenbedrijf met 500 á 600 dieren. Na veel wikken en wegen wordt in het voorjaar van 2007 de knoop door gehakt. De koeien en het melkquotum worden verkocht.
Ze willen rustig beginnen. Ze kopen bij diverse fokkers lammeren aan en ze gaan aan de slag om de gebouwen aan te passen. Ook de stalinrichting wordt in eigen beheer gemaakt. José verzorgt het timmerwerk. Zij heeft hekken en ruiven gemaakt. Prachtig werk, zegt ze. Maar als ze met deze voorbereiding bezig zijn dient zich onverwacht de mogelijkheid aan om een volledige schapenstapel Flevolanders over te nemen van Marcel Reinders uit Kollum, die een overstap maakt naar melkschapen.
Een kans die zich niet iedere dag voordoet. In één slag 300 ooien erbij, in een stal die nog niet klaar is. Waar de dieren nog moeten acclimatiseren en de boer nog moet inspelen op deze drastische verandering. José: “Je moet wel stressbestendig zijn”.Nu ze terug kijken vragen ze zich af of een zo snelle uitbreiding wel verstandig is geweest. Er is wel leergeld betaald. Anderzijds, de kans om een hoogwaardige schapenstapel te kopen doet zich ook maar éénmaal voor.
In de augustusworp waren er problemen met melkziekte. Met het voeren van luzerne en met ingeven van propyleenglycol hebben ze de dieren behandeld. Bij het scannen op drachtigheid blijken er 250 van de 300 ooien drachtig te zijn Maar ook de positief gescande dieren blijken niet allemaal drachtig te zijn. Bij de januari worp van dit jaar loopt het al wat beter. Wel is het aantal éénlingen bij de oudere ooien wat te groot. Bij de jonge ooien is de worpgrootte volgens verwachting. Eén ooi gaf zelfs 5 levende lammeren, die het allemaal overleefd hebben. Cees: ”Mooi voor de statistiek, maar niet gewenst”
Momenteel zijn er ongeveer 650 schapen. De april groep ( 300 ooien ) loopt nog buiten bij de boerderij op 5 ha land; ze krijgen volledige bijvoedering. Ze zijn in goede conditie, maar ze vertrappen het land en ze worden gauw vuil. “Volgend jaar doen we het anders. Ze komen dan in de winter volledig binnen” zegt Cees. Mogelijk kunnen we voor een deel van de dieren gedurende enkele maanden weiland gebruiken van naburige boeren. Maar het geeft wel meer werk en ook de dagelijkse controle vraagt tijd. Bovendien, zegt Cees gaan we waarschijnlijk terug naar 550 ooien. We kunnen dan met de beschikbare accommodatie alles beter laten functioneren.
Ook zijn ze van plan om de eigen opfok van zuivere lammeren niet zelf te doen. Dat betekent dat ze ieder jaar ongeveer 100 ooilammeren moeten aankopen. Dat lijkt een grote kosten post, maar ze kunnen kunnen dan veel meer slachtlammeren produceren. Immers voor die 100 ooilammeren zijn zijn ongeveer 220 levend geboren lammeren nodig; dus 100 tot 120 worpen.
Bij 1.3 worp per jaar per ooi, betekent dit dat er ca 80 ooien nodig zijn voor de vervanging van de ooienstapel. Bij aankoop van foklammeren zijn deze 80 ooien volledig inzetbaar voor slachtlamproductie. Ook zijn er geen zuivere fokrammen nodig en dus ook geen aparte dekgroepen. Verder is ook een fokregistratie niet direct nodig. Het bedrijf kan zich dan volledig richten op haar hoofdtaak. Specialisatie komt de kwaliteit van de bedrijfstak ten goede. Er is dan wel een contract met een fokker nodig voor het leveren van ooilammeren. Liefst met één fokker om ziekte-insleep te voorkomen.
Als slachtlamvaders worden Charolais-rammen gebruikt. Cees heeft 2 oude en 4 jonge rammen. Ze hebben jaarrond een goede deklust en de lammeren groeien goed. Met de Suffolk heeft hij geen ervaring. De Texelaar vindt hij niet geschikt vanwege geringe deklust in de lente en zomer. De keuze voor de Flevolander is bepaald door de hoge productie van de ooien en het gemakkelijk aflammen. Wel vindt hij de dieren wat wild. In het verleden hebben ze met diverse rassen gewerkt, zoals de Texelaar, de Zwartbles, Swifter, Noord-Hollander en Bleu du Maine. Van de 50 ooien zijn er nog enkele aanwezig. Bij de Texelaar had hij maar 1.5 lam per ooi.
Kijken we nog verder naar de bedrijfsgebouwen. De ligboxenstal voor melkkoeien heeft een oppervlakte van bijna 900 m2. Het was een 3+1 stal. De rooster vloer is afgestort met een betonlaagje. De melkstal wordt nog afgebroken en de afkalfstal gaat ingericht worden voor de opfok van boventallige lammeren. Cees overweegt om een drinkautomaat aan te schaffen.
Aan de zijkant van de stal zijn op dit moment 16 aflamhokjes voor 250 worpen. Dat is te weinig. Na één dag moesten de ooien met lammeren soms al naar het groepshok. Het gebeurde dat er op één dag 30 ooien lammerden. Dan loop je vast. Maar tijdgebrek was de oorzaak. Het aantal hokjes wordt ruim verdubbeld. 40 hokjes op 250 zal toch genoeg zijn. Per 2 hokjes wordt een drinkbakje en een ruwvoerruif gemaakt. De ligboxenstal wordt gebruik voor de hoogdrachtige schapen en de schapen met lammeren.
Daarnaast is zijn er nog twee openfront schuren die in gebruik waren voor machines en ruwvoer en verdere opslag. Eén wordt nog uitgebreid en als afmeststal voor lammeren ingericht en de ander voor guste en drachtige schapen m.n. in de winter. Verder staat er nog een kleinere ligboxenstal die nu bestemd is voor jongvee,dat voorlopig nog niet verkocht is. Ook deze stal is uitstekend in te richten voor schapen. Tenslotte staat er op het erf nog een grote betonnen silo voor opslag van drijfmest. Deze heeft (nog) geen bestemming binnen het schapenbedrijf.
De voeding wordt zo eenvoudig mogelijk gehouden. Het ruwvoer wordt op eigen bedrijf en in eigen beheer gewonnen. De ooien krijgen voor het aflammeren oplopend tot 0.5 kg krachtvoer voor dragende ooien en in de zoogperiode maximaal 1 kg lactatiebrok. De lammeren krijgen direct “smulmix” ter beschikking en al vrij direct daarna presto-mestkorrel, dat tot aan de aflevering gegeven wordt. Hiervan eten ze als regel minder dan 1 kg.
De lammeren worden op ca 35 kg afgeleverd bij Bosma, die ze vooral voor export bestemt. Cees en José vinden de handel weinig doorzichtig. De opbrengstprijs wijkt meestal af van de marktnoteringen. Commissiegeld is een vast bedrag ongeacht het aantal. Kunnen ze misschien beter zelf leveren? Ze zijn er niet van overtuigd dat ze het optimale uit de markt halen. Verdere verkenning vinden ze wel nodig.
Ziektepreventie en -behandeling vraagt op een groot bedrijf veel aandacht. Ze overwegen om de dieren te gaan enten tegen rotkreupel. Op dit moment hebben ze wat last van schurft. Behandeling vindt plaats met butox en ivomec. Ook voor blauwtong zijn ze beducht. Er zijn wel wat vage symptomen geweest die op blauwtong zou kunnen wijzen. Ze hopen dat er geen nadelige invloed zal zijn op de dracht van de schapen die in april aflammeren. Hopelijk komt de entstof op tijd beschikbaar.
Tenslotte. Ik wens Cees en José met hun kinderen veel succes toe met hun schapenbedrijf in het mooie Drentse land.
Redactie adres:
P.Pellikaan
Noordzijde 12
4225 PG Noordeloos
T: 0183-582759
E: pellikaanp@solcon.nl
N.B. 12 leden ontvangen deze Nieuwsbrief nog per post. Mocht u hiertoe behoren en inmiddels wel over een e-mail adres beschikken dan verzoek ik u mij uw adres door te geven.
Het bespaart de vereniging portikosten en mij tijd.
Nieuwe E-mail-adressen:
F.Wilmerink: freekenjenny@hotmail.com
C.J.Vernooy: jose.vernooy@planet.nl