FLEVOLANDER NR 70   Maart 2006

Nieuwsbrief Nederlandse Flevolander Schapenhoudersvereniging  

1. E-mailadres 

Van meerdere leden heb ik het E-mailadres ontvangen. Ik weet dat niet alle leden zo'n adres hebben. Zij krijgen de brief normaal via de post. Willen zij die het wel hebben en nog niet opgegeven hebben dit alsnog doen? Het bespaart mij veel werk en het is goedkoper.

2. Afzet fokmateriaal

Er is veel vraag naar fokmateriaal, zowel van ooilammeren als fokschapen. Ik zie, evenals in de gehele landbouw, een duidelijke tendens naar specialisatie en schaalvergroting. De Flevolander komt dan weer duidelijker in beeld. Ik verwijs in deze ook naar de laatste bedrijfsverslagen. Het signaal voor de NFS is dat ze steeds meer een vereniging is voor slachtlamproducenten, ondersteund door een kleine groep van fokkers. Slachtlamproducenten behoren in deze opzet de richting aan te geven voor de fokkers

3. Rammenring

Nico van der Horst heeft zich teruggetrokken als lid. Hij heeft het rundveebedrijf van zijn vader overgenomen. Dit vraagt zoveel tijd dat er op zijn bedrijf geen plaats meer is voor schapen.  

4. Berekening van de inteeltpercentage

De stamboek administratie biedt de mogelijkheid om van geregistreerde dieren het inteelt-percentage te berekenen. Op de stallijsten wordt dit standaard afgedrukt. Dit percentage mag bij voorkeur niet hoger liggen dan 5 %. M.n. voor de deelnemers van de rammenring is dit erg belangrijk. De rammen die zij fokken komen in de landelijke populatie. Zij moeten eigenlijk al vooraf weten of de lammeren die nog geboren moeten worden onder dit percentage zitten. Hoe doen ze dat? Zij laten voordat de schapen gedekt worden berekenen hoe het inteeltpercentage van de nog niet verwekte lammeren wordt, door op papier de te gebruiken fokrammen alle op het bedrijf aanwezige ooien te laten dekken. Hieruit blijkt dan welke paringen wel en welke niet gewenst zijn.

Door deze methode te combineren met het gebruik van rammenlijnen kan het inteeltpercentage laag gehouden worden, één van de doelstellingen van de rammenring.

5. Bedrijfsverslag van maatschap Reinders- Breedijk te Kollum

Het bedrijf ligt in het hoge Noorden van Nederland, even onder het Lauwersmeer, ten Noorden van de oude rijksweg Leeuwarden – Groningen. De luchten zijn er wijd. De boerderijen laten zich van verre in het landschap zien. De zware klei verraadt de invloed van de zee. De Lauwerszee is ingedamd en het resterende meer is natuurgebied geworden. Via de Lauwerszee kreeg de zee in het verleden vele malen toegang tot het land waar het zijn klei afzette. Hier vinden we het bedrijf waarover dit verslag gaat. De grond is te zwaar voor akkerbouw, met name hakvruchten, maar des te beter voor koeien, paarden en schapen. Op deze klei willen de dieren uitzwaren. Dit blijkt ook als we de schapenstapel bekijken. Van oorsprong was het een gemengd bedrijf met melkvee.

Tot voor enkele jaren werd het bedrijf geëxploiteerd door de schoonvader van Marcel, de heer Teun Breedijk. Ook die hield al een groot aantal schapen, ca 300. Dat waren Friese Swifters.(Blessumers) 

Maar rond 2000 is hij begonnen om naast Swifters ook Flevolanders te gaan houden, met name bedoeld om jaarrond vleeslammeren te kunnen afleveren. Terwijl hij bezig was aan de omvorming moest hij om privé-redenen stoppen met het bedrijf. Het heeft zelfs enige tijd te koop gestaan. Zijn dochter Jojanneke en haar man Marcel Reinders hadden andere plannen. Beiden hebben een afgeronde opleiding van de agrarische Hogeschool te Leeuwarden. Aanvankelijk hadden zij ook geen plannen het bedrijf over te nemen. Jojanneke kreeg een baan bij CR-Delta als hoofd van de melkcontrole en Marcel bij de Heus-Brokking-Koudijs als voorlichter rundveehouderij. Een heroverweging van de oorspronkelijke keuze leidde er toe dat Marcel zijn baan opzegde om zich sinds 2005 volledig aan de schapenhouderij te wijden. Jojanneke behield haar baan buitenshuis. ”Heb je van die overstap dan geen spijt” is mijn vraag, “je laat een vaste baan achter je en krijgt het onzekere bestaan van een ondernemer?” Zonder verder nadenken zegt hij: “Ik heb daar nog geen moment spijt van gehad, ik geniet van mijn werk.” Zo blijkt weer eens dat mensen die niet van een agrarische herkomst zijn toch fervente veehouders kunnen worden. Gelukkig maar.

Nu naar het bedrijf. Het beslaat een oppervlakte van 23 ha . Verder worden er nog 7 ha bijgepacht. Als verdere uitbreiding van de schapenstapel nog meer oppervlakte vraagt dan lijkt het mogelijk de pacht uit te breiden. De mestproductie levert geen probleem op. Per ha kan hij ruim 24 schapen houden. Bij 30 ha is er ruimte voor 720 schapen.  Hierover dus geen zorg.

Lammeren komen op het bedrijf nooit buiten, behalve foklammeren nodig voor vervanging en uitbreiding. Ruwvoerwinning neemt dus een belangrijke plaats in. Op dit moment zijn er ca 450 ooien, waarvan 320 Flevolanders en 130 Swifters. Het gesprek komt op de verschillen tussen beide rassen.

Als de Flevolanders 3 maal in de 2 jaar lammeren is de worpgrootte van beide rassen ongeveer gelijk. Pas als ze 1 maal per jaar aflammeren stijgt dit aantal. Vorig jaar was dit het geval. Van 165 worpen had hij 2 maal een 6-ling, 5 maal een 5-ling, 28 maal een 4-ling, 126 maal een 2/3-ling en 4 maal een 1-ling met een gemiddelde van ca 3. Hij vindt dit eigenlijk te hoog. Bij één worp per jaar zou hij Swifters prefereren.

Verder ziet hij qua melkrijkheid geen verschil. De bespiering is een fractie minder. Voor zijn bedrijfsvoering vindt hij de Flevolander een ideaal schaap.

”Geen ander zo goed als de Flevolander”

Het laatste jaar heeft hij veel Flevolander ooitjes gekocht. In de oude stal lopen in de tasruimte ca 100 ooien die in april voor het eerst gaan lammeren. Verder is er nog een koppel van ca 30 ooitjes die in de zomer van 2005 geboren zijn. Hij laat hier in april een zuivere ram bij.  Is dat niet wat vroeg?  Ik zie wel of ze gedekt worden, zegt Marcel. Als ze drachtig worden mag je aannemen dat ze een goede cyclus hebben. Zo als de plannen nu zijn hoopt hij snel op een bezetting van 600 ooien te komen.

De huidige accommodatie is hier voor toereikend. Het bedrijf beschikt over een schuur van 16- 38 m ( 608 m2 ), waarin de  schapen met lammeren en de lammeren aan de lambar verblijven. Lammeren worden  hier na spenen ook afgemest.

Een tweede grote schuur van 18- 25 m ( 450 m2 ) waar de drachtige schapen verblijven en er ook aflammeren. Daarna gaan ze met de lammeren naar de eerste stal. Tenslotte is er nog de oude boerderij, waar nog wat kleine aanpassingen gedaan moeten worden.

De stallen zijn aan één zijde open en van een winddoek voorzien. In de winter kan het wel koud worden. Om bevriezing van de drinkbakken te voorkomen heeft Marcel een retourleiding aangebracht. Met een boiler wordt het water verwarmd tot ca 20 C en vervolgens rondgepompt. De ervaring is dat de schapen met dit “lekkere water” ook meer voer opnemen

Als we zo door de stallen lopen valt op dat de schapen in een heel goede conditie verkeren. Het oogt mooi, maar Marcel tempert dit optimisme. Meerdere schapen kregen in de laatste aflamperiode zucht in het uier. De eerste dag hadden ze biest, maar in de 2 daaropvolgende dagen gaven ze geen drop melk meer. Pas daarna kwam het weer goed dankzij veel nachtelijk flessenwerk. Piet Vellema heeft de zaak bekeken. De waarschijnlijke diagnose: Het kaligehalte in het ruwvoer afkomstig zware kleigrond is te hoog en in combinatie met een erg goede conditie wordt het vocht vastgehouden, waardoor er geen melk in het uier wordt gevormd.

Ook het gemiddeld hoge geboortegewicht van de lammeren ( 4.2 kg ) van een Suffolk vader wijst op een goede conditie van de moeders. De krachtvoergift van de ooien begint met 2 ons op 2 weken voor het aflammeren tot 8 ons. Na 3 weken wordt het weer afgebouwd tot nul. Bij het spenen staan de ooien bijna droog. Er worden betrekkelijk veel lammeren aan de lambar opgefokt. Bij de ooien blijven maar 2 lammeren Er is overwogen om een lammerdrinkautomaat te kopen. Vooralsnog is hier van af gezien vanwege de aanschafprijs. Op dit moment wordt de kunstmelk koud ad libitum ter beschikking gesteld. Per hokje waarin 6 tot 10 lammeren is er één speen verbonden met een emmer voor het hokje. De emmers worden 1 tot 2 maal gevuld en iedere dag schoon gemaakt. Alle lammeren worden tegelijk gespeend met lammeren bij de ooien. De jongsten zijn dan nog maar 6 weken oud. In de mesthokken worden de lammeren op gewicht gesorteerd.

Om de lammeren zo snel mogelijk te leren om krachtvoer op te nemen, wordt direct begonnen met het beschikbaarstelling van smulmix een musli-achtig product, dat ook jonge kalveren krijgen. Ze leren zo krachtvoer op te nemen Vervolgens of zelfs ernaast wordt lammerenkorrel verstrekt, dat dan overgaat in mestkorrel.

De afzet van de lammeren loopt in 2 fasen. Eerst gaan ze naar een verzamelplaats vanwaar ze door slachterij van Veen gekocht worden. De inzet van slachtlamvaders is nog een verhaal apart. Welke is de beste?

Er is ervaring met de Texelaar. Marcel vindt de lammeren meestal te licht bij aflevering. Of wanneer ze langer aangehouden worden, worden ze ook te vet. De Texelaar is daarom afgevallen. De Suffolk heeft nu kansen gekregen. De lammeren in de stal verraden hun vader. Maar de handel in het Noorden is niet gecharmeerd van de grimmelkoppen. Wit wordt betaald. Maar ze worden ook snel te vet. Inmiddels worden de eerst lammeren geboren van Charolais-rammen. Hij heeft er inmiddels 7 gekocht bij Derks ( een oud-lid van de NFS). Ze zijn niet goedkoop. Maar een goede ram betaalt zich snel terug. De lammeren zijn vrijwel wit, ze hebben een lange goed gespierde romp en ze worden niet snel te vet. Ze groeien lang door. Voor de Flevolanders een ideale combinatie.

Aan ziektepreventie wordt veel aandacht besteed. Jaarlijks krijgen alle ooien een footfaxinjectie, als regel 6 weken voor het aflammeren. Marcel heeft zelf een lange behandel/sorteerwagen gebouwd, die veel werk uit handen neemt. Als de schapen door de wagen gaan krijgen ze standaard een voetbad. De klauwen worden één maal per jaar bekapt. Dit werk wordt uitbesteed.

Ook de drachtigheidscontrole krijgt veel aandacht. Ze worden gescand via het darmkanaal. Dit is een nieuwe methode die nauwkeurige resultaten geeft.

Het bedrijf stelt zich ook open voor onderzoek. Een student van de Agrarische Hogeschool uit Dronten is bezig met een afstudeeropdracht in opdracht van “For Farmers”. De vraagstelling is wat voor mestlammeren het beste eiwitgehalte in het krachtvoer is. Voor een slachtlamproducent is dit belangrijke informatie. Te veel eiwit is verspilling, want eiwit is duur. En ook in de mest willen liefst een zo laag mogelijk N-gehalte.

Tot zover een weergave van het bedrijf van Marcel en Jojanneke. Ze hebben een mooi visitekaartje afgegeven. Een keurig verzorgd bedrijf met goede toekomstperspectieven. Vanaf deze plaats bedankt voor de ontvangst en de inkijk in het bedrijf.  

Redactieadres

P.Pellikaan,  Noordzijde 12   4225 PG  Noordeloos
T: 0183.58.2759     E: ppellikaan@solcon.nl